Cultivar ‘Hongaarse’ (ook wel ‘Ungarische Aprikose’): Herkomst: waarschijnlijk rond de Donau-streek, traditioneel in Hongarije en Oostenrijk geteeld Vrucht: middelgroot tot groot, diep oranje met soms rode blos Vlees: oranje, stevig, aromatisch, zoet met lichte zuurtoon Gebruik: veelzijdig – vers eten, maar vooral gewaardeerd voor confituren, likeur (bv. pálinka), drogen Rijpheid: juli–augustus (middelvroeg tot laat, afhankelijk van klimaat) Boom: middelsterke groei, redelijk productief B

