Herkomst: vermoedelijk een historisch ras uit Duitsland/Nederland (19e eeuw). Vrucht: zeer groot tot reusachtig, rond tot breed bolvormig. Schil: groengeel basis, vaak met rode blos of strepen aan de zonzijde. Vlees: groengeel, stevig, sappig, eerder zuur dan zoet, later melig bij bewaring. Gebruik: vooral kook- en bakappel; geschikt voor moes en compote, minder voor verse consumptie. Pluk-/rijptijd: oktober; bewaarbaar tot in de winter (december–januari). Boom: krachtig groeiend, breed sp
